Bijbelbagageverhalen > de verhalen > Uittocht uit Egypte
Linde 2011

Uittocht uit Egypte

De Israëlieten wonen in Egypte.
Dat mogen ze van de koning van Egypte.
Die wordt farao genoemd.

Na een paar jaar gaat de farao dood.
Er komt een andere koning.
Die houdt niet van de Israëlieten.
Hij laat ze als slaven werken.
Ze moeten stenen bakken en grote muren bouwen.
Ze worden vaak geslagen.

Maar op een dag roept God een van hen, Mozes.
God zegt tegen hem:
'Ik heb gezien hoe moeilijk mijn volk het heeft in Egypte.
ik heb gehoord hoe ze roepen om bevrijd te worden.
Luister, Mozes:
Ik wil dat jij naar de farao toegaat.
Zeg tegen hem dat hij de Israëlieten moet laten gaan.
ik zal hen naar een mooi en groot land brengen.
Daar zal voor jullie volop melk en honing zijn!'
Maar de farao wil de Israëlieten niet laten gaan.
Daarom straft God hem.
(Het wordt een verschrikkelijke tijd in Egypte.
De Nijl vervuilt en ziet zo rood als bloed.
Er komen kikkers, muggen en horzels,
en nare dieren- en mensenziekten,
hagel, sprinkhanen, duisternis.
Maar de Farao laat Israël niet gaan.
Ten slotte sterven alle oudste kinderen, ook Farao's zoon.
Dan wordt farao bang.) Hij laat Mozes halen.
'Ga alsjeblieft zo vlug mogelijk het land uit,' zegt hij.
'En neem je hele volk mee.
Anders gaan we straks allemaal nog dood!'
Diezelfde nacht pakken de Israëlieten al hun spullen bij elkaar.
Ze nemen eten en drinken mee en gaan op reis.

Dag en nacht reizen de Israëlieten door.
Ze komen bij de Riet zee
en slaan daar hun tenten op.

Maar de farao heeft er spijt van gekregen
dat hij de Israëlieten heeft laten gaan.
'Wat zijn we toch dom geweest,'
zegt hij tegen zijn dienaren.
'Nu hebben we geen slaven meer.
Weet je wat?
We gaan ze terughalen!'
En de farao gaat met zijn soldaten
de Israëlieten achterna.

De Israëlieten zien de farao met zijn hele leger
in de verte al aankomen.
Ze worden erg bang.
En boos zeggen ze tegen Mozes:
'Het is allemaal jouw schuld!
Jij zei dat we uit Egypte moesten weggaan.'
Maar Mozes zegt tegen hen:
'Wees toch niet zo bang.
God zal ons redden.'

Dan zegt God tegen Mozes:
'Pak je stok
en strek je arm uit voer de zee.'
Dat doet Mozes.
Meteen gaat het heel hard waaien.
En de wind blaast het water weg.
Nu kunnen de Israëlieten zomaar door de zee lopen.
Rechts en links van hen is water,
maar waar ze lopen is het droog.

De soldaten van de farao komen hen achterna.
Ze willen hen grijpen
en terugvoeren naar Egypte.
Ze hebben de Israëlieten al bijna te pakken ....

Maar dan blijven de wielen van hun wagen
in de modder steken.
Ze komen bijna niet meer vooruit.
De Israëlieten hollen intussen zo hard als ze kunnen
naar de overkant.
Als ze daar zijn, houdt het ineens op met waaien.
het water stroomt terug
en alle Egyptenaren verdrinken.

Nu zijn de Israëlieten echt vrij.
Wat zijn ze blij!
En ze danken God
dat hij hen gered heeft.


(Kijkbijbel 70-81, uit Ex. 1 – 14)
 

Klik hier om dit verhaal te lezen zoals het in de Bijbel (NBV 2004)  staat