Bijbelbagageverhalen > de verhalen > Jacob en Esau

Jacob en Esau

Jaren gaan voorbij.
Isaak is een man geworden.
hij is getrouwd met Rebekka.
Ze hebben een tweeling gekregen, twee jongens.
Die heten Esau en Jakob.
Esau is de oudste, Jakob de jongste.

De jongens worden groot.
Esau is een echte jager, altijd buiten.
Vader Isaak houdt van Esau,
omdat die altijd zulk lekker vlees voor hem meebrengt.
Jakob is graag thuis, bij de tent en de schapen.
Hij is de lieveling van zijn moeder Rebekka.
God heeft tegen Rebekka gezegd:
'De jongste wordt de baas, de oudste wordt de knecht'

Isaak wordt oud en blind.
Op een dag roept hij Esau en zegt tegen hem:
'Ik zal niet lang meer leven, zoon,
Ga eens een stuk wild schieten.
Maak het vlees lekker voor me klaar,
zoals jij dat zo goed kunt.
Na het eten wil ik je dan de zegen van God geven.'
Rebekka hoort wat Isaak zegt. Ze roept Jakob.
'Haal vlug twee geitenbokjes uit de kudde.
Ik zal ze lekker klaarmaken voor je vader.
Breng jij hem het vlees voordat Esau terug is.
Dan zal hij jou zegenen in plaats van Esau.
Dan krijg jij de zegen van God.'
Jakob is bang.
'Vader merkt vast dat ik Esau niet ben,'zegt hij.
Maar Rebekka stelt hem gerust.
'Doe nu maar wat ik je zeg, en breng me de bokjes.'
Jakob haalt de bokjes.
Rebekka maakt het vlees klaar.
Dan pakt ze de kleren van Esau,
en laat Jakob die aantrekken.
Om zijn gladde armen doet ze geitenvellen.
'Hier is het eten. Ga nu!'

Jakob gaat de tent van Isaak binnen.
Isaak kan hem niet zien. 'Wie is daar?'
'Ik ben het, vader, Esau, uw oudste zoon.
Eet dit en geef me uw zegen.'
'Ben jij Esau? Je praat als Jakob ....
.....maar je armen zijn die van Esau.'
Isaak geeft Jakob de zegen van God.
hij zegt: 'God laat gras en koren voor je groeien.
Hij geeft je wat je nodig hebt.
Jij wordt de baas, je broer wordt de knecht.'

Jakob gaat de tent weer uit.
Daar komt Esau aan, terug van de jacht.
ook hij maakt een heerlijk maal klaar en brengt het bij Isaak.
'Eet, vader, en geef me uw zegen.'
Isaak schrikt geweldig:
‘Aan wie heb ik dan net de zegen gegeven?
Je broer heeft je bedrogen!'
Esau schreeuwt het uit.
Hij wil Jakob doodslaan, uit wraak.
Rebekka helpt Jakob om te vluchten,
en hij gaat er vandoor, weg uit het land.
Jakob loopt de hele dag.
Dan wordt het avond.
hij gaat met zijn hoofd op een steen liggen, en valt in slaap.
Hij droomt van een trap die van de aarde tot in de hemel reikt.
Engelen lopen de trap op en af.
Dan hoort Jakob een stem:
'Ik ben de Heer, de God van je vader Isaak, en van je grotvader Abraham.
Ik zal je niet alleen laten.
Dit land, waar je ligt te slapen, zal ik je geven,
jou en je kinderen en kleinkinderen.
Ik zegen je, en maak je stamvader van een groot volk.
Wat ik beloof, doe ik ook.'
Jakob wordt wakker. Hij rilt en zegt
' De Heer is werkelijk hier, en ik wist van niets.
Wat een plaats is dit: de poort van de hemel!
Deze plaats noem ik voortaan: Betel. '
(Dat betekent: Huis van God.)
De steen waar hij op gelegen heeft
zet hij recht overeind als een herinnering aan zijn droom.
Dan trekt hij weer verder,
en God, de Heer, gaat met hem mee.

(Kijkbijbel pag 45-47, uit Gen 25,27,28)

klik hier om dit verhaal te lezen zoals het in de Bijbel (NBV 2004) staat