Annabel 2014

Abraham

In het land bij de grote rivier
woont Abraham met zijn vrouw Sara.
Ze hebben daar hun huis en hun familie.
Ze hebben geen kinderen en ze zijn al oud.

De Heer zegt tegen Abraham:
'Ga uit je land weg en bij je familie vandaan.
Ik  zal je een ander land wijzen.
Daar zal het je goed gaan.
Je zult er de stamvader worden van een groot volk.
De mensen zullen tegen elkaar zeggen:
'Kijk, daar gaat Abraham.
Wat is hij gelukkig!
Ik hoop
dat de Heer ons net zo gelukkig maakt.'

Abraham doet wat de Heer zegt.
Hij gaat op reis, met zijn vrouw
en zijn neef Lot.
Hij neemt al zijn schapen, geiten,
koeien en kamelen mee,
en ook herders
die voor die kudden moeten zorgen.
Na een lange reis komen ze in Kanaän.

De Heer zegt tegen Abraham:
'Dit is nu het land dat ik aan jou en je kinderen geef.'
Abraham bouwt daar een altaar,
en brengt de Heer een offer.
Hij dankt de Heer, zijn God,
in het land dat de Heer hem heeft gegeven.

Abraham en Sara worden steeds ouder.
Ze zijn al bijna honderd jaar.
Op een nacht zegt Abraham tegen de Heer:
'Waar blijft nu dat kind?
Ik zou toch de stamvader worden
van een groot volk?
Maar er gebeurt niets,
en straks ben ik dood.'
Maar de Heer zegt tegen Abraham:
"Kom mee naar buiten.
Kijk eens naar de hemel.
en tel de sterren als je kunt.
Zoveel kinderen, kleinkinderen
en achterkleinkinderen zul je krijgen!'
Abraham gelooft wat de Heer zegt,
en de Heer ziet dat Abraham hem vertrouwt..

Een poos later zit Abraham voor zijn tent.
het is warm.
Opeens ziet hij drie mannen staan.
Abraham gaat naar ze toe,
en vraagt of ze binnen willen komen.
Dat doen ze,
en Sara maakt gauw een lekker maal klaar.
In de ingang van de tent zitten ze te eten.
De mannen zeggen tegen Abraham:
'Waar is uw vrouw Sara?'
"Daar is ze, binnen in de tent,” zegt Abraham.
Een van de mannen zegt:
'Over een jaar zal Sara een zoon hebben.'
Sara in de tent hoort het. Ze moet erom lachen.
Ze denkt:"We zijn al oud,
zullen we nog een zoon krijgen?”
Maar de man zegt:"Waarom lacht Sara?
Bij God kan toch alles?”

Een jaar later krijgen Abraham en Sara een zoon,
precies zoals de Heer gezegd heeft.
Abraham noemt hem: Isaak.
Dat betekent hij lacht.
Nu lachen zij van blijdschap,
want ze hebben kind.
God doet wat hij zegt.

(Kijkbijbel 34-45, uit Gen.12,15,18 & 21)

klik hier om het verhaal te lezen zoals het in de Bijbel (NBV 2004) staat